woensdag 24 augustus 2016

Militair ecosysteem en de vierde industriële revolutie

Een fors deel van de samenleving – inclusief de overheid – zit wat betreft die verandering [in het informatiedomein] nog in de ontkenningsfase. Als je een beetje je best doet kom je er nog mee weg te doen of er niets aan de hand is en of steeds in de jaren zestig van de vorige eeuw leven.” Aan het woord is luitenant-generaal A, Schnitger, de commandant van de Nederlandse luchtmacht. Hij schildert een nabij vergezicht voor de Nederlandse krijgsmacht.

Technologie en informatie worden steeds centraler binnen het denken over de ontwikkeling van krijgsmachten. De Militaire Spectator (een vakblad voor officieren) van augustus 2016 begint met twee artikelen die het denken daarover een duw willen geven. Het ene gaat over een 'security ecosysteem' (een netwerk van structureel samenwerkende partners) en het andere over de organisatie van technologische vernieuwing, geschreven door Henk Geveke. Hij is algemeen directeur van TNO Defensie & Veiligheid. De militair ziet dat de technologie tot een verandering in militaire doctrines kan leiden en andersom dat door doctrines nieuwe technologie wordt ontwikkeld.

Er is sprake van een vierde industriële revolutie die de wijze van oorlogsvoering geheel zal veranderen. Dat is nodig ook volgens Geveke, want tijdens recente oorlogen is gebleken dat geavanceerde westerse legers niet gemakkelijk kunnen winnen van vastberaden guerrillastrijders voorzien van verouderde bewapening, die daarnaast evengoed kunnen beschikken over informatie, uitgeprinte wapens en google maps. Vervolgens komt de TNO-directeur met een scala aan projecten die verder uitgevoerd moeten worden door de Gouden Driehoek of triple helix (de samenwerking tussen overheid, kennisinstituten en industrie, m.n. Ook het civiele deel van die industrie, omdat de ontwikkelingen daar vaak sneller gaan dan in het militaire deel). Het overheidsbudget voor militair onderzoek moet daarvoor omhoog van 60 naar 120 miljoen euro per jaar. Niet alleen dat; er moet ook gewerkt gaan worden aan meer open vormen van innovatie, waardoor bijvoorbeeld ook toeleveranciers betrokken worden bij de ontwikkeling. De technologie gaat zo snel dat het anders niet bij te benen valt. Beide heren zoeken met een stevig beleidsadvies de openbaarheid.

De snelheid en omvang van de informatie hoeveelheden speelt ook in de visie van Schnitger een hoofdrol. De lineaire benadering van conflicten, met een binaire aanpak van conflictbeheersing, gebaseerd op kinetische capaciteiten en nationale besluitvorming van de afgelopen twee decennia, doen geen recht aan de complexe mechanismen die een rol spelen bij het ontstaan en beëindigen van conflicten en “is volledig mislukt,” zegt hij. Dure woorden leiden tot een stevige conclusie. Maar niet getreurd er is een nieuwe aanpak nodig die gestoeld is op informatie die besluitvormingsdominantie gaat opleveren om de grote uitdagingen van onze tijd (klimaat, armoede en gezondheid) gezamenlijk het hoofd te bieden. Niemand beter uitgerust dan de Krijgsmacht en dan vooral de luchtmacht om dat te doen, vindt deze hoogste luchtmachtofficier. In de toekomst zullen grote aantallen kleinere wapensystemen nodig zijn die snel van ontwerpfase naar inzetbaarheid evalueren.

Maar niet alleen dat. “We zijn allemaal medeverantwoordelijk voor onze collectieve veiligheid en het is tijd dat we die bal gezamenlijk oppakken. (…)” Stel je eens voor “wat we kunnen bereiken als één op de duizend aardbewoners, pakweg zeven miljoen mensen dus, hun energie in gaan zetten voor vrede, veiligheid en vrijheid. Zonder onderdeel te zijn van de formele organisatie, maar gewoon omdat ze het belangrijk vinden.” Het betrekken van mensen kan de weerbaarheid van de samenleving enorm versterken, voegt Schnitger ten overvloede toe. Een Amerikaanse militair hoorde ik al eerder bepleiten dat militairen zich zouden moeten roeren in de civiele sociale netwerken en zo vervaagt de norm tussen militair en burger steeds meer. Volgens de generaal zal Defensie in de toekomst geen op zichzelf staande organisatie meer zijn, maar een onderdeel van een ecosysteem. Wordt het leger dan civieler of militariseert de samenleving?

De conclusie van de beide heren is dat het 'militair ecosysteem' en de revolutie op militair gebied moeten leiden tot een verdere vervlechting van de krijgsmacht met industrie en (semi-)private kennisinstituten, en sterker nog dat de burger steeds meer als een legosteentje moet worden ingebouwd om de informatiepositie van de krijgsmacht te versterken. Alleen met militairen redden we het niet meer, daarom worden liefst alle burgers ingelijfd.

Zie ik spoken? Als antimilitarist ben ik voorstander van een leger in de kazerne dat doet wat de bevolking wil. En zeker geen voorstander van een alom gemilitariseerde maatschappij. Ik zie soms nuttige bijdragen van de krijgsmacht, maar ook een functie om de samenleving rustig te houden, bevolkingsgroepen (vluchtelingen!) te controleren en belangen van B.V. Nederland elders in de wereld te verdedigen. Deze taken zijn lang niet altijd in het belang van alle burgers. Bovendien betwijfel ik hartgrondig of het leger wel de geëigende organisatie is om problemen in de gezondheidszorg, klimaat en armoede aan te pakken. Verhogen van militaire onderzoeksbudgetten en een nieuwe lichting wapens gaan juist ten koste van die mooie doelen.

Eerder schreef ik over nieuwe technologie: De mens en mot als wapen

maandag 22 augustus 2016

Oorlog zonder grenzen

Met de koloniale opdeling van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, energiehonger, steun aan autoritaire regimes, wapenleveranties en militaire interventies oogst het Westen haar eigen onveiligheid op straat. Volgens Ludo De Brabander moet het geweer terug in de kast.
    
door Martin Broek

Oorlog zonder grenzen van de Vlaamse vredesactivist Ludo De Brabander begint persoonlijker dan ik van de auteur had verwacht. ‘Een jonge vrouw die op een mooie zondagse lentedag naast mij liep op de parade van Hart boven Hard, een vrouw die opkwam voor warmte, solidariteit en vrede, is in kritieke toestand opgenomen in een Brussels ziekenhuis’, schrijft hij, ‘cijfers worden mensen.’ Het voorval vond plaats tijdens de terroristische aanslagen van maart 2016 in Brussel.

Bij het lezen van dit boek strijden verschillende gevoelens om voorrang. Het is bewondering voor de krachtige stellingnames en vergelijkingen die De Brabander hanteert en voor de goed gekozen duidelijke feiten die zijn verhaal onderbouwen. Het is tegelijkertijd verdriet om de schijnbare uitzichtloosheid van het leed in oorlogsgebieden en hun buurlanden, en verdriet om de vluchtelingen en afschuw van de militaire en repressieve aanpak die nu al een kwart eeuw faalt en toch dominant blijft.

Het boek scherpt de geest omtrent belangwekkende vragen als: wat drijft mensen om willekeurig onschuldige slachtoffers te maken, om te doden en te vernietigen; welke blinde woede, fanatisme, frustraties gaan hier achter schuil? De Brabander laat als eerste de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky een antwoord geven. Die noemt als hoofdreden de interventie in Irak, de Saoedische vorm van de islam, het wahabisme, en het bombarderen van IS. Daarmee is de toon van het boek gezet.

Oorzaken terrorisme

Gewoonlijk wordt de vraag naar het waarom van het hedendaags terrorisme (bij ons) op drie manieren beantwoord. Een deel van de analytici benoemt de islam als oorzaak en reden. Het geweld zit nu eenmaal ingebakken in het geloof dat zich gedraagt als ideologie. Die platvloerse, domme en polariserende ‘analyse’ kom je in dit boek niet tegen. Niet voor niets nam de schrijver deel aan de Hart boven Hard parade, een Belgisch burgerinitiatief dat streeft naar verbinding.

Een andere school wijst op achterstanden en racisme. Het islamisme, en het sporadisch volgend extremisme, is in deze visie een dunne vernislaag om het eigen leven een identiteit te geven. Dat is beangstigend en hoopgevend tegelijk. De aanslagen in Brussel werden gepleegd door jonge criminelen zonder veel uitzicht. Een gewelddadige aanslag, gemotiveerd door een wereldbeeld dat de schuld legt bij het Westen, lijkt dan een zinvol einde aan het leven te kunnen geven. De Brabander gaat niet in op deze sociale en psychologische redenen in de boezem van onze eigen samenlevingen, waar mogelijk een deel van de oplossing besloten ligt. Hij merkt alleen op dat een repressieve aanpak van dit probleem weinig zinvol is.

Nee, in Oorlog zonder grenzen wordt een derde verklaring voor het hedendaagse terrorisme gegeven en behandeld die in het teken staat van de herkomst ervan. De auteur beschrijft de eindeloze oorlog en interventies van het Westen in het Midden-Oosten vanaf begin 19e eeuw tot nu. Deze uitleg maakt veel duidelijk over de boosheid die tot terrorisme leidt. In het boek komt bijvoorbeeld een paar maal de rol van Qatar en Turkije aan bod, overheden die samen wapenleveranties aan islamisten in Syrië voor hun rekening namen.

Deze bondgenoten van het Westen gooiden olie op het vuur in een conflict waarbij honderdduizenden sneuvelen, steden tot ruïnes worden geschoten, mensen worden verjaagd van huis en haard en haat een basis krijgt. Turkse journalisten die hierover schreven zijn in het Gülen-kamp onder gebracht en tot staatsgevaarlijke sujetten bestempeld. Qatar leverde ook militaire kennis en wapens aan het ontspoorde Libië. Het vergroot – om het zacht uit te drukken – niet het vertrouwen in ‘onze’ kant van het conflict.

‘Sinds de start van de oorlog tegen de terreur in 2001 vielen er in Irak, Afghanistan en Pakistan ruim 1,3 miljoen doden’, citeert De Brabander de website Body Count dat al jaren het aantal niet-westerse doden poogt te documenteren. Als je dan ook nog in het verdomhoekje zit als moslim, met of zonder HBO-diploma in Molenbeek of Huizen, dan is de stap naar een koekje van eigen deeg niet zo groot.

Meestal blijft het bij gedachten, soms wordt het praktijk. De verschrikkelijke beelden van de bombardementen die via internet of letterlijk ons voorgeschoteld worden, kan een volgende duw in de richting van terrorisme zijn. Dit nog afgezien van de benarde situatie waarin de Palestijnen zich bevinden die een beetje geholpen worden door het Westen, maar hard en onbestraft worden aangepakt door het zwaar door het Westen gesteunde Israël. Het conflict speelt een belangrijke rol in het boek.

Winston’s Hiccup

Het Sykes-Picot akkoord, de afspraak tussen Frankrijk en Groot-Brittannië uit 1916 over de verdeling van het Midden-Oosten, is een goed begin van de zoektocht naar de oorzaken van de woede onder moslims tegen het Westen. Het akkoord bestaat al een eeuw. Islamitische Staat (IS) introduceerde de hashtag #SykesPicotOver die via Twitter een berg interessante artikelen oplevert. De willekeurigheid van de grenzen, die tot op de dag van vandaag tot problemen leiden, is stuitend. De grens van Jordanië werd naar verluid bijvoorbeeld na een copieus diner en met een door een hik veroorzaakte zigzag getrokken, de zogenoemde Winston’s Hiccup.

Tijdens het interbellum stortten Frankrijk en Groot-Brittannië zich, zonder oog voor de wensen van de lokale bevolking, op het gebied. Een bloedige Franse bezetting van Damascus die 26 jaar zal duren, is daarvan een van de vele minder fraaie voorbeelden. Daadkracht en onzorgvuldigheid telt, niet de bevolking. Dit leidt bijna vanzelfsprekend tot verzet tegen de bezetters en die houding, dat gevoel, is ook vandaag de dag nog niet verdwenen. Geschiedenis heeft een lange adem.

Het stichten van de Palestijnse staat is een onderwerp op zich en ‘zorgt al een eeuw lang voor oorlog en geweld in het Midden-Oosten.’ Dat wil zeggen, sinds de Britse Balfour-verklaring van 1917 waarin een Joods nationaal tehuis werd toegezegd. Ook hier gaat het om westerse inmenging zonder veel oog voor de lokale bevolking. De grenzen tussen Palestina en Israël zijn nog steeds inzet van een van de meest invloedrijke conflicten in de wereld.

De hoeveelheid kolonisten in de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem is sinds de Oslo-akkoorden van 1993 opgelopen van 269.200 naar 800.000. Ook de woede daarover stuitert terug in de vorm van terrorisme in het Westen. Dat de helft van het aantal Amerikaanse veto’s in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties betrekking heeft op Israël, voedt het wantrouwen in de regio ten opzichte van Washington. Toch blijft De Brabander zakelijk als hij stelt dat de Amerikaanse politiek niet intrinsiek de steun aan Israël als reden heeft, maar stoelt op geostrategische gemaakte berekeningen door de VS.
Jordanië is, na Israël en Egypte, inmiddels het belangrijkste land voor Amerikaanse militaire steun. Die steun is een beloning voor het erkennen van een vredesakkoord met Israël in 1994. Tegenwoordig is Jordanië een spil in de aanvallen op Syrië en Irak. Voor die deelname moest veel druk worden uitgeoefend. De Jordaanse bevolking is niet zo geporteerd van de inmenging door de VS. Dat Jordanië ook een voorname afnemer van Nederlandse (en Belgische) wapens is, en betrokken in de oorlog tegen Jemen, wordt in het boek helaas niet vermeld.

Het is een verademing om een boek te lezen van iemand die niet meteen gaat voor de eenvoudige uitleg, maar aan buitenlandse politiek een zakelijke lading geeft. De Brabander valt ook niet voor het het olie-argument als hij schrijft over westerse drijfveren voor de politiek richting Midden-Oosten (al vergeet hij het ook niet). Hij noemt ook (geo)politiek profijt als reden. De VS legt onmiskenbaar zijn militaire bases rondom belangrijke geostrategische gebieden zoals de Perzische Golf, schrijft De Brabander.
Toch zou iets verder uitzoomen juist hier niet hebben misstaan. Dan zien we dat veel van die bases ook passen binnen de omcirkeling van China, een inzet met een veel grotere strategische betekenis voor de Amerikaanse politiek op lange termijn. En dan zien we ook dat er sprake is van controle over de oostelijke Middellandse Zee, de Rode Zee én de Perzische Golf.

Interne dynamiek

Met zijn goed onderbouwde uiteenzetting over westers wanbeleid in het Midden-Oosten legt De Brabander de oorzaak van het terrorisme vrijwel alleen bij het westerse optreden in de regio. De individuele terrorist wordt zo een creatie van de omstandigheden van buitenaf. ‘Organisaties als Al Qaida of de Islamitische Staat zijn onder meer het product van militaire interventies, wapenhandel, economische uitbuiting, steun aan autoritaire regimes, oliehonger, ja zelfs van de westerse koloniale geschiedenis die maar blijft nazinderen.’

Dat De Brabander niet ingaat op enige eigen dynamiek voelt ongemakkelijk aan. Alsof de enorme regio zonder buitenwereld niet bestaat. Dat ook regionale partijen zich kunnen misdragen en een rol spelen, komt marginaal aan bod, veelal dan ook weer in relatie met het Westen. De eerste stappen naar IS door Abu Musab al-Zarqawi worden beschreven, de man die niet alleen de bezettende macht wilde ondermijnen maar door aanslagen ook sektarisch geweld probeerde aan te wakkeren. Al-Zarqawi kwam in 2006 om het leven, maar de kiem voor IS is dan al gelegd.

Het laatste uitvoerige artikel van de in 2015 overleden Ed Hollands over het ontstaan van ISIS gaf mij meer informatie over de interne Iraakse dynamiek achter de creatie van het Kalifaat dan het boek van De Brabander. Wat ook nauwelijks besproken wordt is de rol van Rusland, met zijn eigen beleid en enorm grote wapenleveranties aan de regio.

Anderzijds is de nadruk die de auteur legt op de daden van het Westen niet geheel vreemd. Het is de omgeving waarin de schrijver actief is en waar het tij mede gekeerd kan worden. Opvallend daarbij is dan weer wel dat De Brabander de nadruk veel minder legt op West-Europa in verhouding met de VS. Het hoofdstuk over het optreden van Washington in het Midden-Oosten beslaat bijna een derde van het boek. De VS wordt neergezet als de kwade genius, een rol die ze na de Tweede Wereldoorlog heeft overgenomen van de Fransen en de Britten. Het is het land dat (militaire) interventies start en stuurt.

In die zin is de VS inderdaad een kwade genius met een machtspolitiek die weinig tot geen rekening houdt met de bevolking van landen die naar haar mening VS-belangen schenden. De Brabander draagt voor die stelling een karrenvracht onderbouwingen aan. Er valt wat te zeggen voor die nadruk: de VS is de enig overgebleven supermacht en de militaire bondgenoot van Brussel.

Maar daarmee komt België er bekaaid af. In het boek wordt kort aangestipt dat België gretig deelnam aan wapenleveranties aan Libië voordat Khadaffi uit uit de gratie viel, Frankrijk militair steunt sinds de aanslagen in Parijs van 2015, een aantal antiterrorismemaatregelen invoerde die de aanslagen van maart 2016 niet konden voorkomen en de bombardementen in beurtrol met Nederland uitbreidde van Irak naar Syrië. Maar naast Washington is alles bijzaak.

Vraagtekens

Het boek lezen met zelf geformuleerde vraagtekens kan nooit kwaad. De Brabander merkt op dat China een klein deel van de Iraakse olie heeft gekregen om de overheid stil te houden. Maar het gaat over meer dan een ‘stukje’. China neemt de helft van alle Iraakse olie af en heeft een stevige infrastructuur opgezet voor de uitbating ervan, zie bijvoorbeeld de rapportages in The New York Times en Fortune. Het kleiner maken van de invloed van anderen dan de VS is ook wel eens hinderlijk.

Het hoofdstuk over de Arabische Lente in Egypte vangt De Brabander aan met straatverkoper Mohamed Bouazi die zichzelf in brand stak. Het is bijna de standaard opening van artikelen en documentaires over de memorabele lente die veranderde in een verschroeiende zomer. Het valt me tegen dat dit ook in dit boek gebeurt, want de vonk is niet belangrijker dan het kruitvat.

Dat vat is namelijk gevuld met de weerzin onder de bevolking tegen een politiek die hen ringeloort en uitperst. Het vat is gesmeed door het jarenlang organiseren van mensenrechten-, vrouwen- en milieuorganisaties, vakbonden en (clandestiene) partijen. Die organisatie en het politiek protest komen later wel aan bod, maar het beeld van het individu dat in zijn eentje de Arabische Lente doet ontbranden, is inmiddels vaak genoeg neergezet en ontneemt het zicht op een veel groter geheel.

De achtergronden van de Egyptische revolte van 2011 worden door De Brabander mager geschetst. De rol van het kapitaal bij de val van Moebarak komt bijvoorbeeld niet aan bod, noch dat oorlog tussen veiligheidsdiensten en leger. Nu zitten er vele kanten aan de oorlog zonder grenzen dat er altijd wel iets ontbreekt. En De Brabander heeft een duidelijke focus, de door de Amerikanen geleide interventies komen terug in onze eigen straten. Maar ook hier gaat dat ten koste van de interne dynamiek.

Bombardementen

Veel experts delen de mening dat de bombardementen op IS in Syrië en Irak contraproductief zijn. Ook terrorisme-expert Beatrijs de Graaf beschouwt ze als zinloos en mogelijk als opmaat voor een volgende, nog gewelddadiger lichting terroristen. Noam Chomsky stelt in het begin van het boek al dat de bombardementen een van de redenen zijn voor het terrorisme.

De Brabander noemt ze de kwaal die tot remedie is verheven en geeft herhaaldelijk aan dat de hele oorlog tegen terreur een groot falen is. Hij doet dit bijvoorbeeld met de volgende cijfers: het aantal aanslagen is van 199 in 2002 toegenomen tot 13.500 in 2014. Het beleid leidt dus tot meer terreur. Het boek staat vol van dergelijke wetenswaardigheden, maar het barst er niet van uit zijn voegen.

De centrale stelling in het boek is dat de oorlog van twee kanten komt. De oorlogen in het Midden-Oosten hebben ook hier hun uitwerking. Extremisten slaan namelijk hard terug om de strijd een globaler karakter te geven. Zolang het Westen blijft huishouden in het Midden-Oosten, zolang het bommen blijft gooien en de Palestijnen blijvend worden onderdrukt en dictators gesteund, zal het geweld zich als boemerang tegen ons keren.
Maar trapt De Brabander hier niet in de val die incidenten – hoe gruwelijk ook – tot structuur verheft? Want laten we wel wezen, het aantal Europese doden door de hedendaagse terreur ligt nog altijd lager dan in de jaren ’70 en ’80 als gevolg van aanslagen door een scala aan gewelddadige organisaties. Dit schrijf ik niet om de huidige islamitische aanslagen te bagatelliseren – het zal je maar treffen – of ze met elkaar op één lijn te scharen, maar om ze in context te plaatsen en iets minder verhit te beschouwen.

Remedies voor oorlogen

Welke remedies draagt De Brabander aan om oorlogen in het Midden-Oosten en de huidige terreurgolf in het Westen tegen te gaan? Naast het beëindigen van militaire interventies komt hij met het volgende. De oorlog in Afghanistan kostte de VS 687 miljard dollar, vergelijkbaar met 34 maal het Afghaanse Bruto Binnenlands Product. Het resultaat van deze investering is dat het conflict nog steeds voort woekert. Als een deel van dit bedrag ingezet zou zijn om economische en sociale ontwikkeling te stimuleren dan was vrijwel zeker meer bereikt. De Brabander levert een pleidooi voor verschuiving van inzet van militaire middelen naar sociaaleconomische steun.

Het boek sluit af met een verklaring van vredes- en mensenrechtenorganisaties uit Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De oplossingen die hierin zijn opgenomen: beëindiging van oorlogen, militaire bezettingen en invasies; in plaats daarvan toegewijde diplomatieke initiatieven en aanzienlijke steun aan lokale vredesbewegingen; respect voor geloofsovertuigingen en diversiteit van mensen; verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en de toegang tot cultuur; de bevordering van een inclusief bestuur; het overwinnen van armoede; de aanpak van mondiale onrechtvaardigheid; op rechten gebaseerde bilaterale betrekkingen; volledige stopzetting van wapenhandel naar landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

Het is een opdracht zonder grenzen die De Brabander via deze verklaring aan ons meegeeft. Onderweg naar dat ideaalbeeld moet nog wel het een en ander georganiseerd worden. Hoe wordt bijvoorbeeld de wapenhandel naar de regio Midden-Oosten gestopt? Het lijkt er thans op dat enkel in Groot-Brittannië een vredesbeweging actief is om dit blijvend op de politieke agenda te zetten. Maar de militaire wapenproducenten zijn ook daar nog steeds de bovenliggende partij.

Het boek levert veel diagnose en advies op hoofdlijnen. Al eerder haalde De Brabander het Actieplan ter Preventie van Gewelddadig Extremisme van de Verenigde Naties aan. Dit 22 pagina’s tellende VN-voorstel bevat wel gedetailleerde aanbevelingen, van veiligheid in gevangenissen tot aan een volwassen genderbeleid. Niettemin constateert de auteur dat hier weinig mee wordt gedaan en er vooral voor repressieve en militaire oplossingen wordt gekozen.

Geweren opbergen

Kern van het boek: ‘De militaire interventie politiek, het militariseren van de contraterreur, het verhogen van de oorlogsbudgetten in plaats van ontwikkelingsbudgetten en sociale investeringen zijn contraproductief gebleken. Het geweer moet niet van schouder veranderen, maar in de kast opgeborgen worden. Er moet ingezet worden op het vermijden van terreur door de grondoorzaken aan te pakken, met een veiligheidspolitiek die er echt een is. In ieders belang. Want zo kunnen we de terugslag in de vorm van terreur beter indammen. Zo kunnen we het ondermijnend karakter voor onze rechtstaat en bijbehorende vrijheden beter tegengaan.’

De manier waarop vluchtelingenstromen worden beheerst en gekeerd, de eindeloze stroom wapens naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika, de steun aan autoritaire regimes, de onderdrukking van onwelgevallige stromingen. Het gaat allemaal door en in die zin belooft het boek zijn titel helaas waar te maken. Toch ziet De Brabander wel lichtpuntjes. Het conflict in Syrië zal uiteindelijk aan de onderhandelingstafel beslecht worden. Hij adviseert dan ook om de zuurstof voor de oorlog af te snijden: geen wapens, geen economische samenwerking en geen financiering.


titel  Oorlog zonder grenzen
auteur  Ludo De Brabander
uitgave  paperback (12,5 x 20 cm), 272 pagina’s
uitgeverij  EPO, 2016
isbn  9789462670716
prijs  € 22.50

donderdag 18 augustus 2016

Long road to arms exports transparency, the Dutch case

Last month the Dutch Government published its annual report on arms exports. We tend to think this kind of transparency is normal in the EU, but twenty years ago there was not such a thing as government public information on arms exports. Most information was secret; until 1998 in the Netherlands only total figures were given, divided in exports to NATO and to non-NATO countries. But transparency on arms exports developed quickly since the late nineties. In 1997, a confidential list with destinations of Dutch arms sales became public by a leak to the press. In 1998 a report on 1997 arms exports is the first to become officially public and a big step is made towards greater transparency. Since then, the Dutch government made a successful catch-up effort; Dutch government information on arms exports belongs to the most transparent of the world.

The most recent annual report, of July 2016, includes a page on export denials. These are arms export permit requests which are refused by the Dutch government. Remarkable is that eight out of thirteen blocked deals were for destinations on the Arabian peninsular; the UAE, Qatar and Saudi Arabia. All except one are based on criterion 2 of the EU Common Position on arms export; the respect of human rights in the country of final destination as well as respect by that country for international humanitarian law. One denial is motivated by criterion 4; the preservation of regional peace, security and stability. The publication of these denials is detailed and informative (see table 3 at the end of this blog).

Beside the publication of an annual arms export report, the government publishes other information enhancing the insight in Dutch arms trade, an overview is provided in table 1. The different forms of reporting are described, explained or commented below.

Monthly reports

Around the same time that arms export figures were leaked, campaigners brought forward the Swedish example of government reporting on arms exports which was advanced at the time. Another step followed after a Freedom of Information Act request by Stop Wapenhandel and VPROs radio programme Argos asking for all governmental papers concerning arms trade. This request was answered with abundant information on individual military licenses in the nineties, although without names of specific types and companies. This was much more information that even Members of Parliament ever received. As a response, parliamentarians demanded the same level of information. All this undoubtedly helped to convince the government that transparency on arms export was no threat to trade. Space also existed because of greater openness after the Cold War. In 2004, a first report with individual licenses per month was published, giving a description, type of license, country of origin and end use and value. The format of monthly reports is by now also used for dual use and arms transit, all to be found on the website of the Dutch government and Stop Wapenhandel. It is the most informative – very factual - part of the transparency on Dutch arms exports. Lacking is information on type of end user (police, armed forces, industry) and the kind of license (individual, global or general) Both types of information could be easily included. An important – from political point of view – continuing omission is that publication is always long overdue.

Annual reports

Currently the Government is required to report several times on arms exports every year. The largest and most elaborate publication is the previously mentioned annual report on Dutch arms exports. This year for the first time since 2011 the annual report will also be published in English, which can help to work towards European harmonisation of arms export policy, an explicit wish of the Dutch government. The annual report is always commented by Stop Wapenhandel in an extensive critical analysis (coming forward later this year).

The report contains information on a) the defence and security industry, b) instruments and policy, c) the principles of the Dutch arms trade policy, d) transparency and e) the exports in the year it describes, EU-cooperation, information on the Wassenaar agreement, export control and dual-use and arms control. Those general chapters are largely copy and paste every year with minimal changes. Although this year the result of a new survey on the Dutch defence industry is included, giving the latest figures (see table 2)

The second half of the report is the most interesting, because it gives the amount, type and destination of Dutch exports and transit of military goods (and on dual use and transit in the previous calender year). This information is given in two different kind of tables: on country of destination and on category of weapon system. Both sorts of information are given in two half year tables and one on the full year, this because the Parliament is supposed to be informed every six months (which did not happen since 2012 however). It also gives an overview of Parliamentary documents on arms trade control.

Surplus

The Dutch government itself is a major arms exporter; a four column table on the contracts of surplus arms is included in the annual report (type of materiel, sent to, country of end use, end user). This table is also detailed and provides valuable information. In the report on 2015 this table was 30 entries long and the contracts had a total value of ca. € 20.5 million, 2.5 percent of the total. That is low compared to previous years. In 2014 it was 20 percent of all exports and in 2013 12 percent. Fluctuations are big, but Dutch surplus arms exports are important to monitor and often subject to debate. Dutch surplus armoured vehicles were seen during the quelling of uprisings in Egypt and Bahrain in 2011, and Dutch surplus arms have been used in the war on Yemen. Destinations for superfluous Dutch arms raised several debates in the parliament, e.g. on tanks to Indonesia and trucks to Sudan.

Written information on surplus arms, two weeks before an export license, was provided to parliament to enable it to better control the government in its double role of merchant and arms export controlling authority at the same time. The initiative for this came from Theo van den Doel (VVD) in 1997. The information was confidential although sporadically leaked like when in July 2007 a sale was made public of several types of military vehicles to Chile. With an export of frigates to Belgium something went wrong; the parliament was informed during a debate and not, as was intended, with a letter. In this debate the government explained its policy on confidentiality. Surplus sales could be made public only when there was not a financial reason or request by the client to keep them secret. It seems both criteria are never met, because a public letter on the export of surplus arms under € 2 million is never published since 2007. A curious situation: only the parliament is informed on small deals and parliament and public are both informed on large deals due to the rule that deals above € 2 million are public. Unknown however is if the parliament is really informed on all smaller surplus deals.

Deals larger than € 2 million

Noteworthy is a list of fast track notifications on export licenses larger than € 2,000,000. This part of the transparency policy has been introduced after three years of debates. In December 2009 Van Dam (PvdA) and Van Velzen (SP) tabled a motion to urge for a policy of transparency by publishing all planned arms exports of a value of more than one million euros three weeks in advance of a export permit decision. The majority voted against and the motion was rejected. During the arms trade debate of 2011, the Secretary of Economics, Bleker, proposed to inform the Parliament (confidentially if considered necessary) on definitive export permits for complete systems bigger than € 5 million for non EU or NATO+ destinations, two weeks after permit. Some parliamentarians considered the five million threshold as too high and amended in December 2011 by a motion to lower it to € 2 million under the same conditions. This was accepted. The resulting letters give information on the type of weapon, the country of destination and the criteria the government had considered before coming to conclusion. In 2015 the Parliament was informed in five and 2016 until now in one case. Two of the 2015 reporting letters were on exports to Jordan. This raises questions about criterion 2, as Jordan is part of the coalition waging war in Yemen (see previous blog) which was reason for many other denials in the same year.

Despite the enormous growth of government transparency not all information, even on major exports, is yet know. For larger deals of components other sources are still needed to understand Dutch arms export policy. What is exported to Venezuela in 2015 valued € 20 million? According to the SIPRI arms supplies data base the deliverances to Venezuela might be fire control and search radar for large patrol vessels or even technology or knowledge to built the ships itself. But to be sure, government information is needed.

Improvements can be made with the reintroduction of an English language annual report and restart of the publication of half year reports; the introduction of type of end user and the kind of license in the monthly reports; and clarification if the MPs are informed on surplus deals and why this happens always in secret.


MB August 2016
Written for Stop Wapenhandel

donderdag 21 juli 2016

Dutch surplus arms to Jordan

The Dutch government should reconsider its arms export policy to Jordan seen the recent scandals and developments in the region. It should also provide more detailed information on its surplus sales in general, so a more elaborate opinion can be formed by MPs and civil society.

Over the past years a constant flow of information has been published by the international media on Western arms in the hands of IS and other terrorist groups in Syria and Iraq. The most remarkable recent example was a story investigated by the New York Times and Al Jazeera on a large volume of arms and ammunition sent by the CIA to Jordan for Syrian fighters. The weapons were stolen by Jordanian intelligence operatives and sold to arms merchants on the black market.

At a subsequent NYT-blog it was stated that: “Sceptics of American efforts to arm anti-government rebels in Syria have long worried that weapons could be diverted to opposing forces or terrorists. But they did not expect diversion by members of Jordan’s vaunted intelligence service, which was working with the United States to train the rebels. Revelations, by The Times and Al Jazeera, of just such theft have shown how even a supposedly stalwart ally can undermine American interests and aid its enemies.” Sarah Leah Whitson, Human Rights Watch, Executive Director, Middle East and North Africa Division sighed in a tweet:Seen this movie a 1000 times.

The theft surfaced because the officers bragged about it and showed iPhones, SUV's and other luxuries bought with the illegal earnings. Even after it became known to the Jordan government it was not ended directly, but only a few months ago when the US and Saudi Arabia started to complain about the dangerous malversations.

Jordan is seen as an island of stability in the region and strongly connected to the West. Even its Muslim Brothers are only a moderate nuisance. But others argue stability is not a guarantee. Corruption in the elites is one of the more prominent political issues. Even more so because revenues of the fraud are not drippling down. Ludo de Brabander argues in his last book 'Oorlog zonder grenzen' that loyalty is also low because of the Jordanian government support for US policies in the region. He cites polls to underline his position, like the one of the PewResearchCenter in Washington D.C. It fits into the following worry “Jordan's deepening involvement in Syria—including reports that it is permitting Israeli drone flights over its territory and welcoming deployments of U.S. troops—could feed protests, too.” The hesitance to participate in the war with its neighbours was large for this reason .

Jordan is a close ally for the Netherlands. In the past years it received large quantities of surplus arms (see table above). Then Minister of Foreign Affairs, the current European Union commissioner Frans Timmermans, was quite relaxed on the sale, because of the air warfare aspect of most of the delivered arms, such as the Cheetah. He said: I do not worry too much about the offensive capabilities of this weapon system.” Ignoring the fact that the weapon is also armed with anti-tank (AT) rounds and that weapons seem to be creatively used in the wars in Syria and Iraq; AT weapons of a wide variety are used (for a list of weapons used by Syrian fighters see: https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_military_equipment_used_by_Syrian_opposition_forces.) And to get rid of this laconically attitude a youtube video shows the weapon being used against ground targets.



The Dutch government voiced some concerns on Jordan in connection with the sale of military equipment like trucks, air defence and fighter aircraft. The government wrote in a series of letters (see table above) that the Human Rights situation is better as in most countries of the region, but situation of prisoners isn't good, rights of Palestine refugees are violated as is the freedom of press, opinion and gathering. The death penalty was introduced in December 2014 after a moratorium of eight years and 113 people are now on death row. But these facts were not decisive in granting the export license.

The Jordanian armed forces are not connected to those violations. And despite the regional problems and the influx of large quantities of refugees Jordan is relatively stable and part of the coalition against ISIS. The probability the trucks will be used against the population are minimal (thus not zero, MB). The F-16's and armoured vehicles can not be used against the population, according to the government in The Hague.

This denies the use of fighter aircraft in quelling large civil uprisings, like in the Palestine Territories and Kurdistan. Recently fighter aircraft have been used in the War in Yemen committing war crimes (Jordan participated with F-16's in the Saudi-led mission) . It also shows that nothing is learned from the recent Dutch ill-informed sales to countries in the region using Dutch armoured vehicles against civilians in streets of Cairo and Bahrain. Armoured vehicles are the weapon of choice in this kind of situations.

More specific information should be published to the Parliament in the future, such as which types are exported, with what kind of primary and secondary armaments aboard. YPR is a very vague description of a wide ranging family of armoured vehicles. Are they equipped with machine guns, small or middles seized cannons? This kind of information is essential to have an balanced opinion on the sales.

But seen the situation in the region and the wide dispersed sympathy for Islamist groups and antipathy for the sitting powers in the intelligence, security and military circles the diversion or illegal sale of armaments can not be excluded and sales of today will boomerang tomorrow. They already do. The Jordanian air force is pampered and equipped at the expense of other services, like intelligence. Herewith the loyalty will also erode and thus stability in the country based largely on the Jordanian General Intelligence Directorate (GID).

Sales add fuel to the chain of conflicts in the Near and Middle East. The report of the New York Times and Al Jazeera give a kind of peep review of what may lay ahead of us. No time for lacony on the side of the Dutch government when it wants to sell its obsolete weapons abroad.

Written for Stop Wapenhandel

dinsdag 28 juni 2016

Straf voor Fokker

Begin juni maande het Bureau voor Industrie en Veiligheid (BIS) van de ministerie van Handel Fokker 10.500.000 US$ te betalen voor illegaal leveren aan Iran. BIS beargumenteerd uitgebreid waar Fokker de mist in ging. Als het bedrijf zich daar aanhoudt en ook aan de Amerikaanse exportregels dan kan het weeer handelen op de Amerikaanse markt.

Advocaten bureau Thomson & Associates destilleert fijntjes uit de uitspraak dat het hier niet gaat om een paar medewerkers die onder valse voorwendselen Amerikaanse onderdelen importeren, maar dat het bedrijfspolitiek was, tegen advies van de eigen juristen in.

Met die betaling zal dan een einde komen aan een slepende zaak, waarover ik een artikel schreef dat geplaatst werd op de sites van Stop Wapenhandel, Ravage webzine, en op het blog Broekstukken (engels, nederlands). Volgens Het Financieele Dagblad is de boete inmiddels betaald.

zondag 26 juni 2016

Turkse repressie met onze wapenonderdelen


Bron: https://www.vn.nl/en-opeens-liggen-de-dappere-koerden-weer-onder-vuur/


De komende peperdure aanschaf voor het Nederlandse leger, de onderzeeboten werden deze week op wapenbeurs MAST aan de man gebracht. Niet verkocht, maar dat is dan ook een proces van jaren. Een proces dat pas in zijn laatste fase bovenwater komt, om nog lang voort te kabbelen met D-brieven, debatten en stukkies in de krant. Dit jaar startte het openbare circus. Een dergelijke aanschaf gaat ten koste van zorg en onderwijs, die veel meer bijdragen aan veiligheid voor de doorsnee burger dan zo'n waterdichte buis met wapens en motor.

Zo'n jarenlang proces was er ook bij de aanschaf van Joint Strike Fighter. Die aanschaf startte al in 1994, toen nog niemand van het vliegtuig had gehoord, maar de Luchtmacht al een lobbygeldpotje vond om de – toen nog heel toepasselijk JAST genoemde – straaljager aan de man te brengen. Vervolgens gooide het Ministerie van EZ er in 2000 nog 200 miljoen bovenop. Een luchtgevecht boven de polder ontspon zich en de F-35 werd 22 jaar later en miljarden verder voor het eerst boven Nederland gezien.

In het eind vorig jaar verschenen rapport over het wapenexportbeleid 2014 (dat is het meest recente, zie pagina 9) wordt gesproken over een post van 700 miljoen euro voor de F-35. Grotendeels onderdelen voor de Joint Strike Fighter die elders geassembleerd worden. Het gaat om leveranties naar de VS, Italië én Turkije. Bij dergelijke leveringen wordt gebruik gemaakt van een globale vergunning die het mogelijk maakt een hele lading onderdelen aan een afnemer te leveren op basis van één vergunning die drie jaar geldig is. Het gaat dan ook om betrouwbare bondgenoten, zo luidt het verhaal. Het is Europese regelgeving die dit mogelijk maakt. Die is aangepast aan de wens tot een militair krachtige EU (en NAVO) en om de onderlinge soepele verkoop van wapenonderdelen te faciliteren. Industrie en militairen blij.

Maar is Turkije niet dat land, waar niet alleen mensenrechten dagelijks worden vertrapt, maar dat ook weer een binnenlandse oorlog tegen de Koerdische bevolking is begonnen? Hoe zit het dan met het Nederlandse mensenrechten beleid? Vond Nederland bij een vorige golf aanvallen van Turkije op de Koerden niet dat hierbij nooit meer Nederlandse straaljagers ingezet zouden mogen worden. Zou dat dan ook niet moeten gelden voor onderdelen?

Wapenexportcontrole op componenten naar bondgenoten is de afgelopen jaren stilletjes afgebroken. NAVO, EU en een handjevol bondgenoten kunnen rekenen op wat ze nodig hebben uit de landen van de Europese Unie. Hoe ze er vervolgens mee omgaan is grotendeels een kwestie van goed vertrouwen, wegkijken of het door de vingers zien.

Oproep:

Op 6 juli aanstaande praat de Tweede Kamer over de komende NAVO-top in Warschau. Het Amsterdams Vredesinitiatief (AVI) roept de regering op om NAVO-lid Turkije daar tot de orde te roepen. Geen bommen op burgers! Vrijheid voor Koerden! Voor een democratisch Turkije! Het Amsterdams Vredesinitiatief organiseert een wake voor vrede in Koerdistan en Turkije. Kom ook, maak borden, breng kaarsen en fakkels mee en gebruik de hashtag #GeenBommenOpKoerdistan op social media.

Datum: dinsdag 5 juli 2016
Tijd: 19.30-20.30 uur
Plaats: de Dam, Amsterdam

vrijdag 8 april 2016

Voice crying in the wilderness

'Better late than never,' wrote an anti arms trade activist from London when the 2014 EU Consolidated report on arms exports finally became public in March 2016. The official presentation to the EU parliament will take place in April. The report was always late, in the recent past it was published in October/November of the following year, partly due to the complicated process of obtaining and organizing facts and figures from 28 member states with 28 methods of reporting. But this late publication makes democratic control more or less a farce: arms export figures from January 2014 will be discussed 27 months after export permissions were actually granted or the weapons exported. If the European Union and its Member States take arms trade control serious, this must improve.

The report is not only late but it is also a two weeks job to read the information. It is over 650 pages long. Pages filled with tables on the arms exports, arms exports permissions and license refusals of the 28 member states. All this information makes it a gig bowl of a grey macaroni of figures without a text sauce to digest it. Exports are divided in destinations and classes of military equipment. Exports go to 159 different countries in the world and export permissions are even given for 184 destinations (of about 195 nations in the world). The permissions give us a look into the polices of governments (which countries are acceptable, for what type of military products) and into the future of EU arms trade, because the permissions of today are the exports of tomorrow. But they are also a rather significant overestimation of potential arms export opportunities (see table). The exports figures show us which permissions materialised. Concerning exports, Saudi Arabia is the EU's biggest client, with € 1.4 billion of arms and military equipment bought. The biggest client when looking at permissions is Qatar, with € 11 billion and the smallest is Papua New Guinea with only € 80.

But there is an easy application to find a way through this overload of information. Made possible by Ian Mackinnon in 2013 for a project by the European Network Against Arms Trade in collaboration with CAAT from London (with translation into French and German and even help from COARM, the EU body concerning arms export policy, tracing and correcting errors in the official data). The application makes the information on EU arms export easily available and enables to search on all different aspects. The results are visualised by circles representing the financial value or numbers of licenses. This makes the report more valuable and an interesting source of information with almost endless scopes for analysis. The info maybe too late and too old, but at the same time it is also a collection of official figures nowhere to be found together and all in English.

The figures show some worrying trends. Saudi Arabia is again the most prominent client for European arms deliveries in 2014. Almost €1.5 billion was sold by France, Spain. Italy, the Czech Republic Finland, Sweden and several other countries. The Wahhabi Kingdom is also the most prominent EU arms destination for the last fifteen year. Among the big clients of European arms in 2014 we also find Algeria, Morocco, India, the UAE and Turkey. When you consider the poverty in some of these countries, or the involvement in regional or internal conflict in others it is astonishing that governments consider them legal destinations for a European Union following an ethical arms trade policy. For Saudi Arabia this argument is even stronger, in the light of a recently adopted European parliament resolution calling for an end of arms export to thye Saudi's.

When looking at the export permissions given in 2014, one can wonder what a responsible EU arms export policy is supposed to mean. Qatar tops the list. The country is involved in the war in Yemen and is mentioned often as a country sponsoring islamist groups in Syria. Also accepted for arms export licenses are India, the UAE, Egypt and Saudi Arabia again. It is clear the European governments have their own opinion of a sound and responsible arms export policy and the European Parliament is a voice crying in the wilderness.

But what is most prominent when looking at the 17th EU Consolidated report on arms trade is the position of France. On Licenses it leaves all others far behind. There are 14 countries having licenses for French arms valued over a billion euro's, with Qatar as its no. 1 destination with 11 billion. But in total there are licenses to 125 countries with a total value of € 73 billion, far more than ever before for all EU countries together. For sure not all will materialise, licenses are the next years followed by exports which are between 20 and 33 percent of what has been permitted (see table), but even when if they doesn't the growth of EU arms exports will be enormous coming years.

A lot to do for activists against arms trade. Apart from working on the arms export policies of France they should ask national attention for the resolution of the European Parliament calling for an embargo on arms export to Saudi Arabia. They should also take a closer look to other clients of the European Union, such as Qatar, VAE, Turkey, Egypt, Morocco, Algeria, India, and smaller clients such as China, Lebanon or Nigeria.

Martin Broek April 2016
Written for Stop Wapenhandel

The 17th Consolidated report in 8 chapters:
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-1/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-2/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-3/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-4/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-5/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-6/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-7/en/pdf
http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6991-2016-ADD-8/en/pdf


 

vrijdag 4 maart 2016

Hoger defensiebudget voor nieuwe onderzeeërs




Na een jarenlange stille voorbereiding werd onlangs bekend dat Defensie minimaal 2,5 miljard wil investeren voor de aanschaf van vier onderzeeërs. Het parlement moet zich flink achter de oren krabben of dit exorbitante bedrag wel gepast is om de huidige duikboten te vervangen.
,,We zaten te wachten op het bevel om te schieten”, vertelt een oude man die naast mij zit voorafgaande aan een debat in het Haagse Nieuwspoort half februari over de aanschaf van vier onderzeeërs voor de Nederlandse marine. In 1962 voer mijn gespreksgenoot aan boord van een onderzeeër in ‘de Oost’, toen de Indonesiërs troepen over zee vervoerden naar Papoea Nieuw-Guinea, op dat moment de laatste omstreden Nederlandse kolonie in Azië. Het bevel om te schieten kwam niet, duizenden Indonesische troepen landden in Papoea om de kolonisator te verdrijven en daarna zelf kolonisator te worden.
De oude man vertelt meer spannende verhalen. Over varen in de buurt of zelfs onder Russische schepen tijdens de Koude Oorlog, om van dichtbij foto’s te kunnen maken. Ook een Amerikaans eskader rond een vliegdekschip werd tijdens een oefening onopgemerkt binnengedrongen. Onlangs publiceerde de website Marineschepen een soortgelijk verhaal. In 1999 bleek de Nederlandse onderzeeër van de Walrus-klasse in staat om tijdens een oefening virtueel het vliegdekschip USS Theodore Roosevelt, inclusief acht escorterende schepen, tot zinken te brengen. Het toont de kracht en gevaren aan van onderzeeërs.
  
Hoger defensiebudget
De debatavond over de aanschaf van nieuwe Nederlandse onderzeeërs werd georganiseerd door de Gezamenlijke Officierenverenigingen (GOV) en de Atlantische Commissie. De bijeenkomst kan gezien worden als het begin van een publieke campagne voor hogere militaire uitgaven die het mogelijk moeten maken de onderzeeërs te kopen. De aanwezigen, ruim 150 (oud-)marineofficieren, wetenschappers, lobbyisten en zakenlieden, waren het er unaniem over eens dat dit zonder een verhoging van de defensiebegroting niet zou kunnen. Maar waarom zou de Nederlandse marine kostbare en onzichtbare onderzeeboten moeten aanschaffen? Worden ze vervolgens wereldwijd aangeboden op een toch al krappe markt, die dan nog meer aanbodgestuurd zal worden?
Voormalig minister van Defensie Wim van Eekelen, zittend op de voorste rij in de zaal, vroeg zich af hoe de kosten – 2,5 miljard, mogelijk oplopend tot 4 miljard – onder controle gehouden kunnen worden. Hij heeft slechte herinneringen overgehouden aan zijn eigen regeringsperiode waarin de kosten van een soortgelijk project flink uit de hand zijn gelopen en bekend kwam te staan als de Walrus-affaire. Marine-experts ontwierpen in de jaren ’80 een zich steeds verder uitbreidende onderzeeër die het geplande budget met 65 procent overschreed. ,,We zullen een hek zetten rond de kosten en de Algemene Rekenkamer is er al bij betrokken”, wuifde commandant Niels Woudstra van de Faculteit Militaire Wetenschappen de twijfels bij Van Eekelen weg.

06Het debat in Den Haag was een opwarmertje voor de parlementaire debatten die deze maand beginnen in de vorm van een ronde tafelgesprek, technische briefing en de officiële start van het acquisitieproces (de zogenaamde A-brief). Het marinekader heeft al een stevige kennisvoorsprong opgebouwd. Al jaren bereiden de Nederlandse militairen de werving van nieuwe onderzeeboten voor. Bij het Ministerie van Defensie werkte een ingenieur in alle stilte aan de ontwikkeling. Defensie liep niet met deze plannen te koop. Men zat aan Het Plein niet te wachten op krantenkoppen over de aanschaf van nieuwe onderzeeërs ten tijde van bezuinigingen op het defensiebudget.
Maar ingenieur Wendy van den Broek kan dan eindelijk haar werkzaamheden in het openbaar presenteren, vertelt ze in een interview met Marineschepen.nl. In juni zal zij in het Noorse Lillestrøm spreken tijdens de Underwater Defence Technology (UDT) wapenbeurs over Submarine Performance and Requirement Evaluatie Methode. In normaal Nederlands: hoe kom je tot een keuze. Na jarenlang in haar eentje te hebben gewerkt, maakt Van den Broek nu deel van een team om de aanschaf van de onderzeeërs voor te bereiden. Alleen een goedkeuring van het parlement is nog nodig om het proces daadwerkelijk op gang te brengen.

Kostbaar verlanglijstje

Nu de krimp van de defensiebestedingen omgebogen is, lijkt de tijd rijp te zijn. Zelfs een breekbare oud-premier Piet de Jong wordt nog opgevoerd. De 101 jarige De Jong zegt dat aan zee grenzende landen niet zonder kunnen en draagt als oud onderzeeboot commandant zijn steentje bij aan de plannen. Tijdens het debat in Nieuwspoort werd duidelijk wat de wensen van het Ministerie van Defensie zijn: een type middelgrote onderzeeboot, iets tussen een nucleaire onderzeeër en de meer gangbare kleinere voor de kustwateren en landsverdediging in. Het moet een onderzeeër zijn die efficiënt in het zoute water van de Rode Zee en het zoetere zeewater van de Baltische Zee kan opereren (beide watertypen hebben een eigen opwaartse druk, die voor een groot deel bepaald hoeveel gewicht nodig is om te duiken, en dus de grootte van de onderzeeër en de tanks bepaalt). De boot moet uit de voeten kunnen in diepe zee en ondiepe kustwateren. De duikboot moet expeditionair zijn, wat betekent dat hij indien nodig onafhankelijk moet kunnen optreden na het verlaten van de haven; wereldwijd en in het hele geweldsspectrum.

De bewapening moet divers en flexibel zijn. De huidige Walrus-klasse van de Nederlandse onderzeeboten heeft torpedobuizen als bewapening en kan een groot schip tot zinken brengen. De laatste keer dat dit gebeurde was toen de Argentijnse kruiser General Belgrano tijdens het conflict om de Malvina’s/Falklands in 1982 met torpedo’s tot zinken werd gebracht door de Britse marine en waarbij 323 Argentijnse bemanningsleden om het leven kwamen. Maar de huidige Nederlandse onderzeeboot heeft geen wapens voor kleinere tegenstanders en is ook tandeloos als het gaat om oorlogsvoering in de lucht.

Dat moet veranderen. De nieuwe Nederlandse onderzeeërs zouden ook toekomstbestendig moeten zijn. Gedacht wordt aan een periode van dertig jaar. Ze moeten ook stiller zijn dan de huidige Walrus-klasse en in staat worden geacht om meer Special Forces (SOF) aan boord mee te nemen, met inbegrip van hun uitrusting. Bovendien moet het schip de mogelijkheden hebben voor verschillende vormen van het verzamelen van inlichtingen. De voortstuwing moet geschieden met een lucht-onafhankelijk systeem (AIP) en de afdeling communicatie en coördinatie moeten kunnen beschikken over een groot netwerk aan elektronische en IT-middelen.

Samenwerking met drones, onbemande vliegtuigjes, wordt van groot belang geacht. De drone betekent een grote uitdaging en vormt zelfs een bedreiging voor de toekomstbestendige onderzeeër. De onbemande vliegtuigen voor gebruik onder water (UUV’s) doemen dan ook op aan de horizon. Veel van de taken – het verzamelen van inlichtingen, het opsporen van andere onderzeeërs, zelfs het tot zinken brengen van andere schepen – zal in de toekomst worden uitgevoerd door nog stillere en aanzienlijk goedkopere UUV’s, die langer onder water kunnen blijven en nog onzichtbaarder zijn.

Keuze scheepsbouwer

 http://stopwapenhandel.org/informatie/Overheid/overheid
De Nederlandse onderzeeër O24 in 1944. Commandant Piet de Jong werd later premier.
De vele wensen voor groter en beter resulteren in ook duurder, maar roepen ook de vraag op wie de schepen zal gaan bouwen. Grote onderzeebootwerven zijn inmiddels uit ons land verdwenen, maar Nederland exporteert nog wel technologie en kennis voor onderzeeërs. Elk jaar wordt een aantal wapenexportvergunningen verstrekt voor apparatuur die bedoeld is voor het upgraden of onderhoud van Taiwanese onderzeeërs die in opdracht van Tapei in de late jaren ’80 bij de Rotterdamse scheepswerf Wilton Feijenoord werden besteld (zie tabel). Technologie en know-how is nog steeds aanwezig in Nederland, zowel bij het Ministerie van Defensie als bijvoorbeeld bij scheepsbouwbureau Nevesbu en onderzoeksinstelling Marin.

Maar de schepen zullen elders gebouwd moeten worden. Gezien de speciale wensen van de Nederlandse marine zullen slechts weinigen van de internationale scheepswerven in staat zijn om ze te bouwen. ,,Het zullen de Duitsers wel worden”, mompelt mijn buurman in Nieuwspoort. Maar hoewel de Duitse scheepswerven Howalts Deutsche Werft (beter bekend als HDW) en Thyssen Krupp Marine Systemen (TKMS) veel exportervaring hebben, bouwen ze tot nu toe kleinere schepen. In feite zijn er maar twee partijen met ervaring: Kockums uit Zweden en de Australische Submarine Corp. Samen waren zij betrokken bij de bouw van de Australische Collins-klasse, gebaseerd op een Kockums 471-ontwerp.

Begin 2015 nam de Nederlandse werf Damen, de laatste decennia uitgegroeid tot internationaal scheepsbouwer van formaat, een voorschot op het besluit vier onderzeeërs te kopen door de krachten te bundelen met Saab Kockums. Commandant Woudstra van de Nederlandse marine was in Den Haag echter duidelijk: ,,We weten nog niet bij wie we ze zullen aanschaffen. Maar we zullen de Gouden Driehoek en internationale partners, zoals Noorwegen en Canada, erbij betrekken.” Het inschakelen van de Gouden Driehoek betekent het ministerie, de defensie-industrie en de kennis- en onderzoeksinstellingen, In feite zegt Woudstra dat hij zal proberen om de Nederlandse maritieme industrie een bijdrage te laten leveren aan de bouw.
https://www.facebook.com/sipri.org/photos/a.10150217617911934.355602.309816241933/10153996898111934/?type=3 
De concurrentie op de markt voor onderzeeërs is groot. Azië is in potentie de meest interessante regio. ,,Schattingen zijn dat het aantal moderne diesel-elektrische onderzeeërs tot 2020 zal toenemen tot 130 stuks”, zegt de gepensioneerde marineofficier Krokel in het gerenommeerde maandblad Naval Institute Proceedings (februari 2016). Als Damen en Kockums samen met de Nederlandse Gouden Driehoek op deze markt gaan opereren, komt er een push-factor bij op deze toch al aanbod gedreven markt. Als er investeringen plaatsvinden, dan ga je anticiperen op export. Scheepsbouwers moeten hun brood verdienen en dat kan je ze moeilijk aanrekenen. Damen stelt nu al dat ze ‘potentiële mogelijkheden verkent op de internationale markt voor onderzeeërs’ en ze zullen ook gezamenlijk naar andere klanten blijven zoeken, stelt het bedrijf in een persbericht.

Kosten en baten

Al tijdens de bouw zullen de onderzeeboten achter gaan lopen op de onderwater drone-revolutie. Voor sommige taken zullen grote schepen onmisbaar blijven, zoals voor transport van speciale militaire troepen van en naar geheime missies, of voor vertaling en analyse van de verzamelde inlichtingen ter plekke. (Nederlandse onderzeeboten werden de afgelopen decennia ingezet voor het verzamelen van inlichtingen op drie continenten.) Om die speciale ‘niches’ voor de Nederlandse troepen op peil te houden moet het defensiebudget groeien. Nederland zal bovendien een partij worden op de drukke internationale verkoopmarkt voor onderzeeërs.

Hoe sensationeel de verhalen van de militaire planners en oud-onderzeeboot mariniers ook zijn, bij de aanschaf moet worden gekeken naar de kosten en de baten. Het Nederlandse parlement moet zich flink achter de oren krabben of deze dure aanschaf, waarover in 2018 een definitief besluit zal worden genomen, wel zo gepast is in deze magere tijden en of ze bijdraagt aan een veiligere wereld.

donderdag 25 februari 2016

Higher defence budget for new submarines

“We were waiting for the call to shoot,” an elderly man told me prior to a meeting on the acquisition of new Dutch submarines (Feb 15, 2016). In 1962 he had been embarked on a submarine when the Indonesians transported troops by sea to Papua New Guinea, at that time the last but contested Dutch colony in Asia. The call did not come and thousands of Indonesian troops entered Papua to throw out the colonizer – and become the new colonizer.

The old man told more exciting stories. Sailing near – making close-up pictures - or even just under Russian vessels during the Cold War. They also entered a US carrier battle group – a group of naval vessels organised around an aircraft carrier - without being noticed. Recently the Dutch website marineschepen.nl published a similar story. In 1999 Dutch Walrus submarine was able in an exercise to virtually sink the aircraft carrier USS Theodore Roosevelt plus 8 escorting vessels. It shows the power and danger of submarines.

The meeting on the Dutch submarine acquisition, organised in The Hague by the Officers Associations (GOV) and the Dutch Atlantic Commission, can bee seen as the start of a public campaign for higher military expenditures to be able to buy new submarines. The attendants at the meeting unanimously agreed that without a budget increase this will be impossible. But for what reason should the Dutch need those expensive invisible boats? How will they find their way on the worldwide, supply-driven market for submarines? Former Secretary of Defence Wim van Eekelen, sitting on the front row, asked how the costs would be kept under control. He had bad memories about his own time in government when costs of a similar project had run out of hand. The Walrus scandal is one of the more well known Dutch political affairs. “We will fence the costs and the general accounting office is already involved,” reassured speaker Commander Niels Woudstra of the Dutch military academia.

The meeting in The Hague was a warming-up for the Parliamentary debates beginning in March 2016 – with a round table, technical briefing and the official start of the acquisition process. The military staff already seems to have made up its mind; research investments in the new boats started years ago. At the Ministry of Defence a staff engineer has been silently working on the development of the new ships. Before now, the MoD had not want the plans for the subs to make headlines while the defence budget was being cut. Engineer Van den Broek-de Bruijn can finally present her work in public. In June 2016, she will speak in Lillestrøm, Norway at the Underwater Defence Technology (UDT) fair on Submarine Performance and Requirement Evaluation Method. After working on her own for many years she is now part of a whole team preparing the acquisition process. Only a nod by the Parliament is needed to get the process in motion.

For years, the Dutch military staff has been preparing the acquisition of new submarines, amidst decreasing defence spendings. Now the time seems to be ripe and the plan has been presented at a meeting in The Hague. During the meeting it became clear what the Ministry of Defence wants. A medium submarine, something between a big nuclear one and the smaller ones used in the littorals for home defence. A submarine which can operate efficiently in the salt water of the Red Sea and the sweeter seawater of the Baltic Sea (both with its own upward pressure, which has big effects on weight needed to submerge and thus the size to trim the submarine) and in deep water and shallow littorals. It must be expeditionary, which means that it can operate robustly in all fields of the spectrum of violence, independent if necessary after it has left the harbour.

Weaponization must be divers and flexible. The current class of Dutch submarines has a torpedo to sink a big ship – last example of big a ship sinking is Argentine cruiser General Belgrano during the Malvina's/Falkland conflict, 1982, with the deaths of 323 Argentine crewmen - but has no weapons for smaller opponents nor for anti-air warfare. The submarines must be future-proof for thirty years; be more silent than the present Walrus-class, able to take more Special Forces (SOF) on board including their equipment; have capabilities for different forms of intelligence gathering, have an air independent propulsion (AIP) system, and large network centric capabilities for communication and coordination. And they must be able to operate with drones; an armed underwater branch of unmanned vehicles (UUV's) is looming over the horizon. This last development makes a future-proof submarine a major challenge. Many of the tasks – intelligence gathering, even shoot to sink operations, find other submarines – will be done in the future by even more silent UUV's with longer endurance capabilities to submerge.

Bigger and more capable, means more expensive, but also raises the question who will built the boats. The big Dutch submarines wharfs are gone, but the Netherlands still has submarine export activities. Every year, a number of arms export licenses are granted for equipment to upgrade or overhaul the Taiwanese submarines, ordered by Tapei at Wilton Feijnoord late 1980 (See table 2010-2014). The technology know-how is still in the country; in the MoD, and in ship-design bureaus Nevesbu and Marin. But the ships will will have to be built elsewhere. Considering the special wishes of the Dutch navy, only few of the international wharfs will be able to build it.

Dutch export licenses for Sea Dragon-class submarines, 2010-2014
Source: Maandrapportages militaire goederen 2010-2014


“It will be the Germans.” my neighbour in the meeting murmurs. But although German HDW/Thyssen wharfs might have a lot of experience, they have only build smaller ships so far. In fact there are only two obvious parties with the required experience, Kockums from Sweden and the Australian Submarine Corp. Together they were the major parties which build the Collins class submarines, based on a Kockums (471) design. In early 2015, the most prominent Dutch conglomerate of ship wharfs Damen preluded on the Dutch acquisition by joining forces with Saab Kockums. Commander Woudstra of the Dutch navy said clearly in The Hague: “We do not know yet where we will buy them. But we will involve the Golden Triangle and international partners, such as Norway and Canada.” Involving the Golden Triangle means the ministry, the defence industry and the knowledge and research institutes, and in fact says that he will try to give the Dutch naval industry part of the job.

Competition on the market for submarines is severe. Asia is potentially the most interesting regions looking for extension of its fleet. “Estimates put the number of modern diesel-electric submarines operating in the Pacific at upwards of 130 by 2020,” states retired naval officer Krokel (Naval Institute Proceedings, February 2016). When the Netherlands – with a third party like Kockums - will enter this competition, it will contribute to the push factors on this market and make it even more supply driven. When you start to invest in the development of a new weapon system, exports can already be anticipated. You cannot blame the shipbuilders for wanting to gain from investments. Damen shipyard wants “to explore future opportunities in the international submarine market,” and ”in addition to this [potential Walrus-class submarine replacement programme] project, Saab and Damen will also explore ways in which they might bid jointly on other submarine procurement programmes.”

While being build, the vessels will already become partly outdated by the UUV revolution. For some tasks however big ships will continue to be indispensable, like for SOF-transport in/out areas where secret operation is desired, or for on the spot translation and analysis of gathered intelligence. (Dutch submarines were used the past decades for intelligence gathering on three continents.) To keep those special 'niches' for the Dutch forces, the defence budget will have to grow. And that will make the Netherlands again a party on the international market for submarines. But however sensational the stories of the military planners are, the acquisition must be regarded on a cost and profit level. The Dutch parliament should consider twice if this very expensive acquisition suites the Netherlands and – first and foremost – if it does contribute to a more secure world.

dinsdag 9 februari 2016

Meer altijd maar meer

De NAVO-budgetten voor wapenaankopen groeien. In het NAVO rapport over het jaar 2015 stelt de militaire verdragsorganisatie dat in 2014 17,4% van de uitgaven van de NAVO-lidstaten werden gebruikt voor materieelaankopen. In 2015 was dit 2 procent meer, namelijk 19,7%. Jane's Defence Weekly (3 februari 2016, blz. 12) schrijft dat bij 23 van de 28 bondgenoten de uitgaven voor nieuw materieel toenamen. De NAVO is nog steeds verantwoordelijk voor meer dan de helft van de wereldwijde militaire uitgaven. Die groei is dan ook goed nieuws voor de wapenindustrie. In absolute cijfers betekent de 2 procent bijna US$ 18 miljard. Om een idee van verhouding te geven: US$ 18 miljard ongeveer de gecombineerde omvang aan wapenimporten door de 14 grootste klanten in 2014.

http://www.nato.int/cps/en/natohq/news_127537.htm

Deze voor de wapenindustrie gunstige ontwikkeling wordt veroorzaakt door de perceptie dat de wereld steeds gevaarlijker wordt. Achtereenvolgende Secretaris Generaals van de NAVO hadden allemaal een zin die ze keer op keer herhaalden: NAVO lidstaten moeten meer uitgeven aan defensie. Vaak werden en worden deze woorden begeleid met een bont scala aan dreigingen, zoals ISIS, Rusland, China, Taliban, terrorisme, vuile bommen, migranten, klimaatvluchtelingen, cyberaanvallen, en ook de traditionele klacht over free riding over de rug van Amerikaanse uitgaven. Dat de NAVO meer dan 50% van alle wereldwijde militaire uitgaven voor haar rekening neemt (de VS alleen is al verantwoordelijk voor 35%) wordt nauwelijks genoemd. Rusland, gezien als een grote bedreiging, is verantwoordelijk voor slechts 4,5% van de wereldwijde militaire uitgaven. Het leeuwendeel van de wapenaankopen gaat al ten koste van de westerse belastingbetaler, maar het constante herhalen dat de wereld een gevaarlijke plek is geworden blijkt eindelijk vruchten af te werpen. Een groot aantal NAVO-leden hebben hun militaire budgetten verhoogd, met name voor wapenaankopen.

AntiWar.com, een Amerikaanse website met informatie over en tegen oorlogen, publiceerde onlangs een artikel waarin de de standpunten van de Amerikaanse presidentskandidaten worden vergeleken. De schrijver, Thomas F. Lee, beschrijft hoe alle kandidaten stellen dat de wereld zich in een gevaarlijke situatie bevindt. "Amerika moet een leidende positie nemen in een gevaarlijke wereld," meent Hillary Clinton. Om zich te distanti
ëren van naïef optimisme stelt Bernie Sanders: "We leven in een moeilijke en gevaarlijke wereld, en er zijn geen gemakkelijke of magische oplossingen." (...) Marco Rubio's campagne website dendert binnen met: "De wereld is nog nooit zo gevaarlijk geweest als vandaag."
Lee veronderstelt dat die opmerkingen over toenemend gevaar zullen leiden tot nog hogere militaire uitgaven. Hij adviseert zijn lezers om eerst naar de feiten te kijken. Het is minder beroerd dan veronderstelt. Het aantal slachtoffers van gewapende conflicten daat wereldwijd al jaren, om maar eens iets te noemen. "We moeten bereid zijn om die vooruitgang te benoemen met een geestdrift die betrokkenheid stimuleert. Bevrijd van ongegronde zorgen, kunnen we werken aan een vreedzamer en menswaardige wereld," concludeert Lee.

Het is niet alleen Lee die ons vraagt naar de wereld te kijken op een manier die we niet meer gewend zijn. Het Nederlandse maandblad Militaire Spectator (nr. 1, 2016 blz. 18/04) publiceerde een langartikel over de toenemende veiligheid in de wereld gedurende een lange periode. De auteur, majoor Ducheateau-Polkerman, werkt bij de
Staf van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS). Dit terwijl de minister Hennis-Plasschaert van Defensie herhaaldelijk spreekt over een minder veilige wereld. "Politici, hoogwaardigheidsbekleders en 'de gewone burger' lijken ervan overtuigd dat de wereld steeds onveiliger wordt. Ze lijken elkaar bovendien na te praten. Dit “ondanks de geringe harde bewijzen hiervoor. Er is juist des te meer hard bewijs voor het tegendeel." Volgens deze militaire expert wordt het gevoel van gevaar gebruikt om een hoger budget los te weken voor het Ministerie van Defensie. Het aanwakkeren van angst is een effectief instrument om een groter stuk van de taart te krijgen.

Thomas Lee merkt op dat het schilderen van een slechtste situatie ook gebruikt wordt als een mechanisme om aandacht te trekken voor een kwestie. Soms is dit noodzakelijk. Er zijn inderdaad delen van de wereldbevolking die moeten leven in ernstige en gevaarlijke situaties. Zoals de bevolking in Jemen, waar een wrede en in het Westen nauwelijks opgemerkt oorlog gaande is. In 2014 verkocht het Nederland wapens aan zes landen die deelnemen aan de Saoedische geleide coalitie in de oorlog in Jemen, zoals Stop Wapenhandel en Pax onlangs schreef in een brief aan ledenvan de Tweede Kamer. De Tweede Kamer bespreekt eerdaags het Nederlandse wapenexportbeleid van 2014.  

 
Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft beloofd te onderzoeken of Nederlandse wapens zijn gebruikt in de oorlog in Jemen, maar waarschuwde in een recente brief aan het Parlement dat dit onderzoek moeilijk zal zijn omdat 1) de Saoedische coalitie tegen externe controles is en 2) het vooral gaat om de verkoop van componenten.

Het eerste argument doet wenkbrauwen fronsen. Nederland levert wapens aan landen die niet bereid zijn om inzicht te geven in het gebruik ervan? Zelfs niet als er bezorgdheid bestaat over schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten? Het tweede component-argument is gemakkelijk te weerleggen. Het onderzoeksrapport van Stop Wapenhandel, dat de aanleiding was voor het ministerieel onderzoek, begint met de identificatie van door de coalitie gebruikte houwitsers, F-16 gevechtsvliegtuigen, fregatten, patrouilleboten en tanks van Nederlandse origine of met Nederlandse onderdelen. De Nederlandse overheid hoeft niet te zoeken naar onderdelen, het moet gewoon kijken naar de wapens waarin deze onderdelen worden gebruikt en naar de geweren, kanonnen en tanks die gebruikt zijn voor het afvuren van de geleverde kogels, granaten en raketten.

Het goede nieuws is dat de wereld een veiligere plaats is dan je zou denken op grond van de krantenkoppen. Het slechte nieuws is dat het goede nieuws is wordt overschreeuwd door een sterke en krachtige lobby voor hogere militaire uitgaven en meer wapenhandel.

Martin Broek

Donderdag 11 februari 2016 tussen 15:00-18:00 zal het jaarlijkse wapenhandel debat plaatsvinden. Het is live te volgen op http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/livedebat/thorbeckezaal